NRC-coryfee Heldring werkte ook voor overheid

Door F.W. Voigt

J.L. Heldring, de meest ervaren medewerker van NRC Handelsblad en tot op de dag van vandaag columnist/commentator van de krant (hij trad in 1945 in dienst bij NRC als redacteur buitenland en was van 1968 tot 1972 hoofdredacteur), blijkt zijn werkzaamheden als journalist ruimhartig te hebben gecombineerd met werkzaamheden voor de Nederlandse overheid. Aldus wordt een nieuw huiveringwekkend hoofdstuk toegevoegd aan de verwevenheid van Lux et Libertas met de staat.
Heldring blijkt in de jaren zestig voor de Inlichtingendienst Buitenland te hebben gespioneerd in de Soviet-Unie. Hij trachtte een fotograaf te recruteren die met hem mee moest gaan om -na een cursus te hebben gevolgd in het herkennen van militaire objecten- met hem voertuigen, radarposten etc. te fotograferen. Dit wordt het onderwerp van een VPRO-radioprogramma waarin Heldring het gebeuren toelicht. In een weinig bekende column van eind november 1997 onder de kop ‘Geen Moreel Verschil’ gaat Heldring zelf uitgebreid op de kwestie in. Hieronder volgt deze column.

Geen moreel verschil
“Hoe graag had ik hem (haar vader), als prikkelende bijdrage aan ons piepkleine debatje, niet het bericht voorgelegd uit het blad De Journalist van 14 november j.l. Daarin bekent J.L. Heldring dat hij in 1959 als redacteur van een liberale krant ‘enigszins bevangen door de Koude Oorlog’, in opdracht van een inlichtingendienst een reis naar de Sovjet-Unie heeft gemaakt.”
Behalve het jaar – 1959 moet 1960 zijn – klopt het wat Elsbeth Etty schrijft. Daarbij wil ik de volgende aantekeningen maken. Eerst van meer technische aard: De Journalist, die ik niet gelezen heb, moet dit bericht ontleend hebben aan een radio-uitzending van de VPRO op 9 november.
In die uitzending, die ik niet gehoord heb, moet een bandje zijn afgedraaid van een telefoongesprek waarin ik tegenover een medewerker van de VPRO vertelde van die reis naar de Sovjet-Unie. Hoeveel van dat telefoongesprek is uitgezonden, weet ik niet. Maar zoals gezegd, in grote lijnen klopt het verhaal van Elsbeth Etty, die de uitzending waarschijnlijk ook niet gehoord heeft (althans het blijkt niet uit wat zij schrijft).
Maar met deze technische aantekeningen wil ik niet volstaan. Hoe is die reis tot stand gekomen en waarom heb ik die uitnodiging aanvaard? Het jaar tevoren had ik in opdracht van de krant een bezoek aan Polen gebracht, en daarover had ik een reeks artikelen geschreven, die nogal optimistisch – te optimistisch achteraf – waren jegens het regime van Gomulka, die in 1956, tegen de wil van de Sovjet-Unie, aan de macht was gekomen.
Die artikelen hadden kennelijk de aandacht van een inlichtingendienst van de regering – welke weet ik niet (of niet meer) – getrokken, en deze benaderde de toenmalige hoofdredacteur met de suggestie dat ik ook zo’n reis – maar dan betaald door die dienst – naar de Sovjet-Unie zou maken. De hoofdredacteur had daar niets tegen, en ik – weer door hem benaderd – ook niet.
‘Bevangen door de Koude Oorlog’ – ik neem aan dat ik die woorden door de telefoon heb gezegd ter gedeeltelijke verklaring van mijn instemming met het voorstel van die dienst. Inderdaad werd in die jaren de Sovjet-Unie als de grote tegenstander beschouwd, en dat deed ik ook – zij het dat mijn houding tegenover de Sovjet-Unie niet zozeer ideologische of morele als wel machtspolitieke gronden had.
Hoe het ook zij – ik zag in die uitnodiging een kans iets te zien te krijgen van de Sovjet-Unie, waarover ik zo vaak schreef. Die kans kon de krant mij niet bieden. Ruim tien jaar tevoren had ik iets soortgelijks gedaan: in 1949 kreeg ik het aanbod om in dienst van Buitenlandse Zaken naar de Verenigde Staten te gaan, teneinde daar voorlichting te geven over Nederland en het Nederlandse beleid.
Dat heb ik gedaan – eveneens omdat de krant een Amerikaanse ervaring van mij toen niet kon bekostigen – en ik ben ruim vier jaar in dienst van BZ in de VS geweest. In dienst: dat was dus nog een sterkere verbinding dan ik in 1960 met die inlichtingendienst was aangegaan. Niettemin heb ik mij, na vier jaar teruggekeerd bij de krant, nooit geremd gevoeld in mijn eventuele kritiek op BZ.
Mede daarom zal ik, toen ik in 1960 die uitnodiging kreeg, waarschijnlijk niet op het idee zijn gekomen dat hier wel eens een conflict van belangen zou kunnen ontstaan (ik moet hier reconstrueren, want mijn geheugen is niet feilloos). Ik moet bekennen dat, hoewel ik er na 37 jaar iets anders tegenaan kijk, ik zo’n conflict nog niet kan ontwaren.
Wat waren mijn verplichtingen jegens die inlichtingendienst? Ik moest mijn ogen openhouden en op bepaalde dingen letten, waar ik sowieso op gelet zou hebben. Verder verwachtten ze van mij een rapport. Dat heb ik ook geschreven. Er stond niet veel meer in dan wat iedere toerist die zijn ogen openhoudt, zou schrijven. Ik ging namelijk als toerist en was in handen van Intoerist. Het is mij een raadsel gebleven waarom die dienst dáárvoor mijn reis naar de Sovjet-Unie betaalde. Waarschijnlijk moest besteed worden wat op de begroting stond. Ik heb er later nooit meer iets van gehoord.
Elsbeth Etty schrijft nu de door mij geciteerde passage: “Mijn vader zou beslist in woede zijn ontstoken als ik Heldring had vergeleken met een CIA- of BVD-agent. Waarop ik dan, sussend, had kunnen zeggen: ‘Vergelijken is iets anders dan gelijkstellen. Maar maakt dat verschil moreel iets uit’?”
Tot goed begrip: die twee laatste zinnen zijn de woorden waarmee ik mijn artikel van 18 november besloot – zij het niet helemaal letterlijk, maar alla. In dat artikel had ik betoogd dat er zeker verschillen, ook in de praktijk, waren tussen communisme en nationaal-socialisme, en had ik de vraag gesteld of die verschillen moreel iets uitmaakten.
Elsbeth Etty’s vraag of het verschil tussen iemand die, zoals ik, op kosten van een inlichtingendienst de Sovjet-Unie bezocht en een CIA- of BVD-agent moreel iets uitmaakt, is dus gerechtvaardigd. Mijn antwoord erop luidt: nee, voor mij niet. Sterker: ik zie ook geen moreel verschil tussen mijn reis naar de Sovjet-Unie en die van een sovjetspion naar Nederland.
Voor een verklaring grijp ik terug naar wat ik eerder schreef: mijn houding tegenover de Sovjet-Unie had niet zozeer ideologische of morele als wel machtspolitieke gronden. Een anticommunist in de traditionele zin van het woord ben ik dan ook nooit geweest. Anders zou ik ook tegen de Poolse communist Gomulka, die zich enigszins van de Sovjet-Unie losweekte, zijn geweest, en helemaal tegen de communist Tito. Maar hun pogingen zich min of meer zelfstandig van de Sovjet-Unie te maken juichte ik toe. Ik zag daar een ondermijning van haar machtspositie in.
In die visie op de Koude Oorlog – die door weinigen (ook van rechts) in het Nederland van toen gedeeld werd – vond ik inlichtingendiensten een heel normaal verschijnsel. Dat vind ik trouwens nog, al zal ik nu niet meer zo gauw op een uitnodiging van zo’n dienst ingaan. Maar 1997 is 1960 niet.

Dit is toch wel schokkend. Er blijkt uit hoe diep en structureel de verwevenheid van NRC met de overheid is en hoe ver de krant is verwijderd van objectieve en onpartijdige journalistiek. Bij Heldring liepen zijn functies als journalist en als ambtenaar zozeer door elkaar heen, dat het volstrekt onduidelijk was welke pet hij op welk moment op zijn hoofd had. Het doet sterk denken aan de puinhoop die Ben Knapen maakte (en nog!) door eveneens op de payroll te staan van Buitenlandse Zaken als lid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken. De volgende vragen dienen zich aan:

1. Heldring legt niet uit waarom -als het toch maar om een toeristisch reisverslag in de Sovjet-Unie ging- de overheid en niet gewoon de krant zijn kosten betaalde.

2. Heldring deed grote klussen voor Buitenlandse Zaken maar bleef over BZ schrijven, naar eigen zeggen omdat ‘hij zich niet geremd voelde in zijn eventuele kritiek op BZ’.

3. Een Nederlandse inlichtingendienst recruteert journalisten voor een gevaarlijke spionageklus in de Sovjet-Unie en de journalist Heldring meldt deze scoop van jewelste niet in zijn eigen krant maar pakt de centen.

4. Door de conservatief en ‘atlanticus’ Heldring te sturen en niet een linkse journaliste of zelfs een communiste als Elsbeth Etty (die ongetwijfeld zou zijn teruggekomen met verhalen over paradijzen voor boeren en arbeiders) stuurt de overheid de kleur van de berichten in NRC, berichten die niet zouden zijn verschenen als Heldring niet met belastinggeld zou zijn omgekocht. Heldring hierover: “Ik moet bekennen dat […] ik zo’n [belangen]conflict nog niet kan ontwaren.’

Heldring schrijft al een halve eeuw over buitenlandse politiek maar kan in zijn eigen geval ‘een belangenconflict niet ontwaren’ als hij is betaald door degene die hij geacht wordt kritisch en objectief tegen het licht te houden? Dat is lachwekkend. Heldring liegt of hij is volstrekt incompetent.

  • By Ton Biesemaat, 8 mei, 2006 @ 13:24

    Wat een ophef over oud nieuws. Oud nieuws vooral omdat het van alle tijden is dat journalisten bijklussen voor inlichtingendiensten. Men leze het boek van Frits Hoekstra over zijn BVD-loopbaan. Omdat geen hond Must Magazine las herinner ik maar aan mijn onthulling dat de adjunct-hoofdredacteur van de Telegraaf Heitink als ingezworen agent voor de Franse geheime dienst werkte. Dat verklaart alweer een beetje de goede contacten van de Telegraaf met de hoeders van onze staatsveiligheid. Maar zoals gezegd: oud nieuws, een objectieve journalist is een uitstervend ras. Als de soort al ooit bestaan heeft. Bijklussende journalisten met gleufhoed en regenjas zullen er nog genoeg zijn.

  • By Charles Destrée, 9 mei, 2006 @ 8:04

    Is deze “J.L. Heldring, de meest ervaren medewerker van NRC Handelsblad en tot op de dag van vandaag columnist/commentator van de krant” misschien een nazaat van de bankier Ernst Heldring?
    Ik noteerde onder veel meer:
    “Het is goed ons hier te herinneren, dat Reynaud ook, sinds de twintiger jaren, een agent van Mannheimer is.
    Wij hebben Fritz Mannheimer – die als eerder vermeld de Nederlandse Handelmaatschappij, de bank der Oranjes waarvan Wilhelmina grootaandeelhoudster is, grotendeels in handen had gekregen – voor dood achtergelaten in augustus 1939. Hij zou dan door zelfmoord of hartverlamming aan zijn eind zijn gekomen. Zijn begrafenis is zelfs vermeld.
    Mannheimer was behalve met Paul Reynaud, nauw bevriend met o.a. de Belgische sociaal-democratische minister van Financiën Hendrik de Man, capitulatie/collaboratie-genoot van Leopold III en de Belgische premier Paul van Zeeland. Ook onderhield hij intieme relaties met het Oranje-huis. Volgens een Nederlandse nazi-bron had hij kort voor zijn omstreden naturalisatie tot Nederlander, in de eerste helft der jaren dertig ‘de Parijse schulden’ van Wilhelmina’s echtgenoot prins Hen-drik betaald.
    Mannheimer heeft in Nederland een spoor van vernielingen nagelaten. Zijn mislukte spel had onmiddellijke consequenties voor de verhouding van Nederland tot Frankrijk, ic. Reynaud, en tot Duitsland.
    De pro-Duitse secretaris-generaal van Handel en Nijverheid Hirschfeld was speciaal in dit verband naar de president van de Deutsche Reichsbank Walter Funk (opvolger van Schacht) gegaan, omdat de Duitse pers aanvallen zou kunnen doen op leidende figuren van de Nederlandse Bank en de Nederlandse Handelmaatschappij (misschien telt als ‘leidende figuur’ ook grootaandeelhoudster Wilhelmina). Funk zorgde er voor, dat alle persoonlijke aanvallen achterwege bleven.
    Het schandaal kostte de kop aan Crena de Jong, de president-directeur van de Nederlandse Handelmaatschappij. De bankier Ernst Heldring volgde hem op.
    Diens mede-directeur Collot d’Escury bleek in september 1939 bij Reynaud te zijn geweest, om een en ander te compense-ren door vereffening met Franse export naar Nederland, en “eventueel levering van oorlogsmateriaal”. “Dat laatste wordt meer en meer hèt punt.” Lazard Frères en de Banque de Paris et des Pays-Bas verwierven zich zo een sterkere positie binnen de Handel Maatschappij.
    Er was contact met baron Louis de Rothschild, met de Franse gezant De Vitrolles, een ‘heer Gourdeau uit Parijs’ is bij Heldring, vermoedelijk om hem te overtuigen aan de Franse kant te gaan staan.
    Eind 1939 was de zaak nog niet opgelost, want Colijn ging, op weg naar Rome voor zijn vredesmissie, langs bij Reynaud in Parijs, om over deze zaken te spreken, maar helaas kwam Defensie niet tot het samenstellen van een order voor defensie-bestellingen. Minister Welter zou in januari 1940 door Heldring worden bezocht.
    Heldring noteerde op 8 mei 1940 dat “De Geer is door Defensie in de waan gebracht dat er geen orders voor Frans materiaal zijn”. “Nu heeft de Prins zich er mede bemoeid en de opperbevelhebber ingelicht, die meer geschut dringend nodig heeft.
    Bernhard was dus gemengd in het gevecht om de Franse staatsobligaties van de Nederlandse Handelmaatschappij met Rey-naud en een blijkbaar onwillige Defensie-top.”
    Kent iemand het (evenuele familie-) verband tussen beide Heldrings?

  • By ko de dok, 9 mei, 2006 @ 9:39

    @Charles Destrée
    “Kent iemand het (evenuele familie-) verband tussen beide Heldrings?”

    Na een kleine zoekactie vind ik dat hier:

    http://www.nrc.nl/W2/Columns/Heldring/portret.html

    Wie invloeden begint te noemen, ontkomt niet, ook al is de columnist inmiddels tachtig, aan zijn afkomst. Hij groeide op temidden van de economische en culturele elite van Amsterdam. De Heldring van de bank Pierson, Heldring & Pierson was een broer van zijn grootvader. De Heldring-stichtingen in Zetten voor moeilijk opvoedbare meisjes zijn opgericht door zijn overgrootvader, de destijds befaamde predikant O. Heldring, een vriend van Groen van Prinsterer. Zijn vader, Ernst Heldring, was in zijn tijd zelfs wat nu een bekende Nederlander zou heten: de ‘onderkoning van Amsterdam’ werd hij genoemd. Hij was reder, bankier, adviseur van de koningin en een promotor van de schone kunsten.

Other Links to this Post

WordPress Themes